Hoe ik vegetariër werd

Van welk dier?

Exact 40 jaar geleden at ik voor het laatst vlees. Bloedworst. Ik herinner me haarscherp de conversatie die volgde op dit laatste avondmaal. Ik was 8 jaar en mijn taalkundige vaardigheid was al groot genoeg om de betekenis van het samengestelde woord te ontcijferen. Bloed en worst?! Versteld stond ik. Mijn moeder bevestigde dat mijn redenering klopte, dat bloedworst vol bloed zat. Zij knikte alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Zij zag niet wat er in me omging. De walging en vooral de verbijstering namen in slow motion bezit van me. Onmogelijk dat zij meteen besefte wat deze ontdekking in mij teweegbracht. Of welke impact dit zou hebben op haar kookkunst. Van welk dier is dit vlees? Dat is wat alle kinderen vragen, toch?  Net als alle kinderen stelde haar kind deze vraag bij elke maaltijd. Waarna haar kind net als alle kinderen het bordje netjes leeg at. Af en toe was er zelfs een tweede portie nodig om de honger naar dierlijke proteïnen te stillen. En toen haar kind 5 jaar was, nog geen 3 jaar geleden, waren de bloeddorst en de vleeszucht ontembaar. Tijdens de fondue, het feestelijke menu van weleer, werden wellevendheid en opvoeding zwaar op de proef gesteld. Want wachten tot het vlees gebakken was, was er voor dit kind niet bij. Rauwe hompen verdwenen in dat kauwende mondje van die vierjarige gulzigaard.

 

Maar deze keer was het anders. Welk dier is dit? De bloedworst maakte de vraag inzichtelijk. Alsof het nu pas tot me doordrong wat al die vorige antwoorden precies betekend hadden. Dit stuk voedsel dat ik in mijn mond stak -alhoewel niet herkenbaar- was ooit onderdeel van een lichaam. Een lichaam dat nu dood was. Tot vlees geworden opdat ik ervan kon eten. Een stuk sappig vlees, besefte ik onthutst, was niets anders dan een deel van een lichaam met het bloed er nog in. Bloedworst maar dan met het lijf er nog bij. Net als op de foto's bij die spreekbeurt in de klas. De beelden van het slachthuis leken op mijn netvlies te zijn blijven plakken. Het worstje dat we als afsluiter aangeboden hadden gekregen, wie kon dat in godsnaam eten? Ik was onthutst van zoveel wansmakelijkheid en vooral van het gemak waarmee deze surrealistische wrede wereld als perfect normaal werd voorgesteld. 

Het voorval met de bloedworst was niet het eerste moment van inzicht. Het was wel het laatste en beslissende moment. Welk dier is dit? Deze vraag zou ik nooit meer stellen. Wat deed het er nog toe? Van welk dier ik gegeten had, ik wilde het niet meer weten. Dit was de laatste keer geweest. Nooit meer.

 

Kat en muis

Sinds dat beslissende moment, werd alles anders bij ons aan tafel. De eerste weken, eigenlijk maanden, waren niet echt gezellig te noemen. Mijn ouders waren in alle staten. Het was onmogelijk dat ik nog verder zou groeien. Zonder de eiwitten die alleen vlees konden verschaffen, geen schijn van kans. En ik was nog maar acht! En nog zo iets, enkele weken daarvoor had ik mijn sleutelbeen gebroken. De breuk zou nooit aan elkaar groeien. Het afgrijselijke beeld van een misvormd en onvolgroeid kind moest hen wel heel hard vallen. Want ik kreeg niet de kans om van tafel te gaan voor mijn bord leeg was. Ook dat stuk vlees. Wat zeg ik, vooral dat stuk waarvan ik nooit meer kon “niet weten” wat het was. Of ik de groenten at of niet, leek opeens van geen belang. Iedereen aan tafel, mezelf incluis, was vanaf dat eerste heldere moment, gefixeerd op dat ene stuk in het midden van mijn bord. Iedereen, mezelf niet inbegrepen, vroeg zich af hoe het kwam dat ik ondanks alle heisa toch steeds relatief snel van tafel raakte.

 

De onrust en de onwetendheid leverden de uitgelezen leeratmosfeer. Ik leerde in spoedtempo de knepen van de redeneerkunst en de overtuigingskracht. Ik was wat men kan noemen autodidact. Alle pogingen om toch maar "alle voedingsstoffen bij me naar binnen te krijgen” ten spijt, mijn ouders verloren het pleit. Toegegeven,  de overtreffende trap waar schrijvers graag ongestraft mee weg raken, pas ook ik wel eens toe. Eerlijkheidshalve  geef ik niettemin toe dat mijn overreding nooit zo sterk was geweest ware het niet dat ik mij had laten omringen door de beste bondgenoten.

 

Ik sneed het stuk in het midden van mijn bord in kleine stukjes, zogezegd om mijn walging bij het doorslikken te verkleinen. Dat poezen geen aanmoediging nodig hebben om een vegetariër in spe te helpen, moet ik wellicht niet vertellen. Toch was elke maaltijd een waar huzarenstuk. Opperste concentratie was nodig om mijn ouders om de hete brei te leiden. Ondanks het feit dat de vier ogen van mijn ouders ook beducht waren en meer en meer getraind raakten, werd ik elke dag behendiger. Bij elke maaltijd lukte het me om een fractie van een seconde sneller van tafel te raken dan de vorige. Mijn bondgenoten onder tafel raakten elke dag een beetje meer ingespeeld op mijn onzichtbare wensen. Aanwijzingen waren op den duur nauwelijks nog nodig. Mijn vrienden op vier voeten lazen mij als geen ander. En binnen enkele minuten –sneller dan de grootste carnivoor het had kunnen opeten- was mijn stuk vlees van mijn bord verdwenen.

 

Voorbij het kritische moment

Nadat mijn ouders zich er tenslotte hadden bij neergelegd dat hun kind onvermurwbaar was –om voor hen begrijpelijke redenen gebruikten zij het woord “koppig”- begon mijn leven als volwaardig vegetariër. Aan de ene kant vond ik het jammer dat het “kat-en-muis” spelletje voorgoed tot het verleden behoorde. Net nu ik er alsmaar beter in werd. Onoverwinnelijk zijn, maakte elke maaltijd tot een uitdaging. En uitdaging, dat had ik reeds op die leeftijd meer nodig dan eten en drinken. Tenminste, ik zelf was daarvan overtuigd. En in zekere zin is dat ook de waarheid gebleken. Want de smaak van vlees die heel mijn jonge leven zo onweerstaanbaar was geweest, vergat ik als vanzelf. Het spel winnen, de kunst van het misleiden verfijnen, dat nam me geheel in beslag. De kick van mijn listen was zo groot dat ik compleet vergat wat er op mijn bord lag. Iedereen weet dat stoppen met ingebakken gewoonten –vergeef me de woordspeling- niet evident is. Het maakt niet uit of dat nu roken, slaappillen, te veel drinken, te weinig bewegen of vlees eten is. Ik was acht en ik deed het. Gelijk alsof het niets was. Ik, het kind met de onblusbare honger naar bloed, stapte door de deur van de kast en transformeerde van het ene moment op het andere van fervent carnivoor in voltijds vegetariër.

 

Waar mijn ouders geen rekening mee gehouden hadden, en waar ikzelf nog niet zo lang geleden achter kwam, was dat ik gespaard was gebleven van de ontwenningsverschijnselen. Het “kat en muis” spel had me zodanig in beslag genomen dat "iets missen" niet aan de orde was. Na een maand zonder vlees te leven, opgaande in mijn duivelse spel van altijd winnen en nooit toegeven, was ik de smaak als vanzelf vergeten. En als ik de smaak nog niet vergeten was, dan was de kritische periode van onweerstaanbare drang en herval in oude gewoonten nu wel voorbij.

 

Er was voor mij geen weg terug. Er werden bij ons thuis verder niet veel woorden meer vuil gemaakt aan deze en gene eetgewoonten. Waren mijn ouders overdonderd over zoveel wilskracht van hun achtjarige? Waren zij verbijsterd over de listige aard van hun kind? Misschien wilden ze niet herinnerd worden aan hun herhaaldelijk verlies dat uiteindelijk tot de ultieme nederlaag had geleid. Ikzelf wil graag geloven dat ze stiekem fier waren op hun kind dat op geheel persoonlijke wijze bewezen had dat het zijn plan kon trekken in het leven. Liever nog had ik gehad dat mijn ouders inzagen dat hun kind een groot hart had en daarom de eigen vrienden niet opat. Misschien zagen ze dat wel in, alleen zou het fantastisch geweest zijn wanneer mijn voorbeeld gevolgd zou worden. Maar dat gebeurde niet. Tenzij het niet eten van honden en katten, alsook paarden mee zou tellen.

 

Rariteit

Vervolgens voelde ik me 40 jaar lang een rariteit aan tafel. Ik at nooit wat de pot schafte. Ik at mijn eigen potje. Niet dat ik veel bezig was met mijn eetgewoonten. Ik at wat ik at. De reden waarom, raakte op de achtergrond. Het was zelfs zo dat ik er me niet bewust van was dat ik anders at dan anderen. Laat staan dat ik wist dat anderen mij als bizar beschouwden. Het was een tijd waarin er niet op restaurant werd gegaan. Dat scheelde natuurlijk. Die ene keer dat ik als 12-jarige onder de tafel kroop toen de ober mij  en vooral mijn tafelgasten meewarig aankeek, herinner ik me natuurlijk nog wel. Vooral omdat ik het zeven gangen menu had moeten uitzitten achter een minuscule toast champignon. Of het slechte bedoelingen van de chef waren of dat de stress en de schaamte me de das hadden omgedaan, laat ik in het midden, maar de toast champignon is niet lang bij me gebleven. Des te langer is ze me bijgebleven. Zo ziek ben ik er nadien van geweest. Die keer dat de ober mij een pizza bracht waar zelfs de tomaat van weggelaten was, zal ik ook niet vergeten. Die keuken moet er nogal uitgezien hebben met al die vliegende -of erger nog, kruipende- tomaten.  Daarna heb ik nooit meer een gerecht besteld met "ik eet alles dat niet gevlogen, gekropen, gelopen of gezwommen heeft". Pizza is tenslotte lekkerder mét tomaat. Mijn excuses aan alle tomaten.

  

En oh ja de trouwfeesten! Omdat ik me niet ongewoon voelde en me bijgevolg niet realiseerde dat de meeste mensen er andere eetgewoonten op na hielden, vergat ik bij elke uitnodiging voor een feest te verwittigen dat ik vegetariër was. Tot het moment dat het eten geserveerd werd, was ik me nooit van enig verschil bewust. Menig buffet heeft me een slaak van opluchting laten slaken, dat hoeft niet gezegd. De keren dat ik de ober ongemerkt probeerde diets te maken wat er aan de hand was, zijn me zonder uitzondering bijgebleven. Ach ja, ik kan die mensen niets verwijten. Het was een tijd waarin vegetariërs als een ras apart werden weggezet. De term vegetarisme riep slechts vage connotaties aan wortelen en sla op. “Wat eet je dan wel? En ook geen vis? Kip dan?” Na het derde feest kon ik de woorden van de ober en vervolgens van mijn tafelgasten mee declameren: “Wat eet je dan wel? En ook geen vis? Kip dan?”. De volgorde van kip en vis kon wel eens wijzigen, maar verder ging de variatie niet. Dat ik op die momenten geen legendarische gerechten voorgeschoteld kreeg, hoeft niemand te verbazen. Elke tafelgast die een blik op mijn bord kon werpen, wist het zeker. Vegetariër zijn, wie haalt het in zijn hoofd? Zeker op een feest is het geen goed idee om jezelf zoveel tekort te doen. Het moeilijkste deel van zo’n avond was steevast het moment dat de bruid me kwam vragen of ook ik lekker gegeten had. Alle blikken van mijn tafelgenoten op mij gericht zodat mijn leugen om bestwil onmogelijk ongemerkt kon passeren. Mijn schaamteloze verbloeming -ja hoor, hééél lekker- kreeg nooit enige pardon. "Hoe durft ze?" stond op elk gezicht te lezen.

 

In de lift

Vandaag durf ik het nog steeds. Geen vlees eten is nog niet doorsnee. De meeste mensen eten nog steeds vlees. De beroepen slager en veeteler bestaan nog altijd. Maar toch is de kentering nabij. Waar men vroeger vlees at zonder er bij na te denken, zijn er nu weinig mensen die zich niet bewust zijn van de schadelijke impact van de vleesindustrie. Ook is het vandaag de dag onmogelijk om het leed dat vlees eten veroorzaakt te ontkennen of te minimaliseren. Is het een trend, een voorbijgaande modegril? Of staat de mensheid aan het begin van een nieuw tijdperk? Ik kies ervoor om het laatste te geloven. Mildheid en verontwaardiging kenmerkt de mens in de 21ste eeuw. Vegetarisme zit in de lift. Net als andere gewoonten uit vervlogen tijden bereikt ook de vegan levensstijl vandaag de "point of no return". 

Reactie schrijven

Commentaren: 0